Terug op Bonaire

Op vrijdag 1 november zeilen we, voor het eerst in lange tijd hoog aan de wind naar Klein Curaçao. Een klein eiland ten zuid-oosten van Curaçao.

Als we daar aankomen is het al laat in de middag en de Mermaid, het schip dat trips verzorgd vanuit het Spaanse Water, is al weg en kunnen wij aan zijn boei vastmaken. Marga is hier al geweest met de Mermaid.
Al snel liggen we in het heldere water en snorkelen we rond.
De volgende dag hebben we een goed bezeilde koers naar Bonaire.

Op bonaire liggen we weer heerlijk in het blauwe water en zwemmen, snorkelen en duiken we weer zoals we hier gewend zijn. Op curacao hebben we dat toch wel een beetje gemist.

We huren een gammele auto van een lokaal en gaan eerst naar de noord kust. Hier niet zulke hoog op spattende boka’s, maar toch mooi om te zien.

We rijden over een koraal pad verder naar het noorden en stoppen daar bij de overblijfselen van de grotten waar de indianen verbleven.

We zien de laatste rots inscripties van de indianen. Nu afgedekt met tralie werk tegen vandalisme.

Niet alleen geiten lopen hier los op Bonaire maar ook een hele kudde ezels. Hoe kunnen die hier wat voedsel vinden tussen dat dode koraal.

Het is altijd weer mooi hoe de natuur zijn sporen achterlaat in gesteente en koralen. Hoe oud zal dit gesteente wel niet zijn, je kunt je daar geen voorstelling van maken.

De volgende dag rijden we langs de kustweg naar het oosten. Langs deze weg stonden 4 obelisken ( 1838 ) bij elke zoutpan een en in de kleuren rood, wit, blauw en oranje. Ze waren een baken voor de schepen die zout kwamen halen.

Als er in een van de 4 zoutpannen voldoende zout was gewonnen werd in die obelisk de vlag gehesen met de correspondeerende kleur, zodat de kapitein wist bij welke zoutpan hij moest zijn.

Ga door naar de volgende pagina,
of ga terug naar de
vorige.